Het witte huisje en de filosofentuin: deel drie (einde)

Het is begin februari. De sneeuwklokjes begroeten mij uitbundig, de delicate Amerikaanse vergeet-me-nietjes tonen hun tere zachtblauwe kleur en de kleine sleutelbloemen reiken mij al de sleutel tot de lente aan. In de boomgaard wil de perzikboom botten en op een uitgebloeide bloemstengel van de Verbena bonariensis (stijf ijzerhard) zit zowaar een lieveheersbeestje. Jonge sprieten van de vele bloembollen komen her en der door blad en mulch piepen en zijn getuigen van het zachte weer. Ook al lijkt de lente dichtbij, voorlopig blijft de grond in de tuin bedekt met een dik deken van blad en mulch. Niet alleen houdt dit de groei van onkruid tegen, maar het verhindert ook dat zware herfst -en winter regens de grond doen dichtslibben. Ook de wormen vinden het zalig en ik merk hoe ze steeds talrijker in mijn tuin aanwezig zijn. Zij zijn mijn companen en handige helpers om deze grond opnieuw vruchtbaar en luchtig te krijgen. Spijtig genoeg heeft het kleine Blauwe Steen Vretertje nog altijd zijn weg naar de tuin niet gevonden en stenen en keien moet ik dus zelf blijven opruimen.

In de zomer kan ik met stro en blad van smeerwortel, de bodem tussen de planten enigszins vochtig houden en tegen de priemende zon beschermen. Voor het winterdeken echter levert mijn tuin onvoldoende materiaal en stro is niet ideaal, dus moest ik op zoek naar blad en ander mulch materiaal. Dan hoor ik van de compostmeester dat ik als inwoner van Hoeilaart gratis compost kon halen in het containerpark. Dat nieuws kwam op het geschikte moment en sindsdien vindt mijn autootje vanzelf de weg naar het containerpark. Natuurlijk weet ik niet hoeveel naaldhout in die compost verwerkt zit wat, gezien de verzurende werking ervan, een minpunt kan zijn. Soms groeien er ook al eens distels in die mulch maar dat vind ik minder erg. Maar toen ik vorige herfst dikke, vieze, vette engerlingen in de compost zag friemelen, ben ik toch maar met lege zakken huiswaarts gekeerd.

Mulch en blad zijn niet alleen als winterse bodembedekker nuttig maar samen met karton maak ik er in mijn strijd tegen onkruid en gras, handig gebruik van. Toegegeven, de hof-tovenaar was er niet mee ingenomen toen hij voor het eerst grote oppervlakten gras met karton bedekt zag. Dus verstopte ik het onder een laag van verschillende materialen. Het mengsel van blad en stro dat ik eerst gebruikte maakte plaats voor mulch van het containerpark. Het is goedkoper en werkt ook beter omdat het gewicht van die mulch het karton goed op zijn plaats houdt en het gemengd met het halfvergane karton al snel voedsel wordt voor het bodemleven. Soms moet het het proces herhaald worden, maar de voldoening het grasland te zien veranderen in een gezonde, goed bewerkbare grond en dit zonder spitten of gebruik van plastic, werkt motiverend. Pissebloemen, heermoes (kattenstaart/paardenstaart) , boterbloemen en hagewinde trachten soms wel terrein terug te winnen. Waar nodig, trek ik die plantjes dan met hun wortel uit. Heermoes blijft echter een moeilijke en dus oogst ik het om er al dan niet gemengd met brandnetel, een gier van te maken die ik later aangelengd in de tuin gebruik.

Het grondwinningsproces heeft de boomgaard over de voorbije jaren onherkenbaar veranderd. Naast de oorspronkelijke appelaars, pruimenbomen en perzikboom plantte ik in december een zelfbestuivende Nashi peer. De zomer- en herfstframbozen, de bramen en Japanse wijnbes groeien nu tegen een klimstructuur gemaakt van palen met daartussen twee horizontaal boven elkaar bevestigde gerecycleerde kastanje-afsluitingen. Witte en rode bes, cassis, stekelbes, honingbes en appelkers (aronia) heb ik in de herfst herplant zodat ik via een paadje in wording, zowel aan de voor-als achterkant bij de struiken kan. De honingbes (meibes), een blauwe bes met ietwat lange en uitgerekte platte vorm, is de allereerste bes van het seizoen en is een aanradertje. Buiten de alomtegenwoordige rabarber, vind je in de boomgaard ondermeer een vlinderstruik, lavas, citroenkruid, sering, zeekool, vingerhoedskruid, papaver, ossetong, wederik, varens, koningskaarsen, stokroos, parelkruid, goudsbloemen, juffertjes in het groen, vrouwenmantel, hazelaar, aardperen, sneeuwbes, bottelroos, vlier, bosaardbeien en …koeienogen. De grote donkergele bloem, op een stengel die wel anderhalve meter hoog kan worden en met wat gekartelde brede diepgroene bladeren, ontlokt mij steeds een glimlach.

Bij de erwtenstruik (Caragana) was het dan weer het fijn ingesneden, zacht groene blad dat mij bekoorde. De plant leek ook te passen in mijn plan om in de boomgaard elementen van de permacultuur/voedselbos te integreren. Toen ik dus las dat de erwtenstruik in samenwerking met bacteriën, via de wortels stikstof in de bodem fixeert en niet alleen zichzelf maar ook de planten in de buurt voedt, twijfelde ik niet langer. Of ik ooit de eetbare peulen zal proeven weet ik nog niet zeker, maar intussen geniet ik van de prachtige gele bloemen en het mooie blad.

De gele cornus, de allereerste bloeier na de winter, zorgt ervoor dat mijn Cornus mas jolico bevrucht wordt en in de zomer mooie rode vruchten geeft die met hun heel delicate smaak doen denken aan een kruising tussen bosbes, aalbes en kers. Beiden struiken zijn in het voorjaar een streling voor het oog. Het olijfboompje dat ik ooit van mama als een heel klein boompje kreeg, heb ik vorig jaar aan de volle grond toevertrouwd. De overgang van pot naar volle grond heeft zichtbaar deugd gedaan en het boompje krijgt nu zowaar een echt stevige stam.

Smeerwortel, rijk aan stikstof, fosfor, kalium en andere mineralen, vind je in vele soorten over de kleine en de grote boomgaard verspreid. De witte, zachtroze, of diepblauwe bloemen trekken niet alleen van het vroege voorjaar tot de late herfst hommels en bijen aan, maar ze vormen, waar nodig, ook een groene wal tegen het gras. De brandnetel heeft natuurlijk een plaats in de boomgaard mogen behouden en dat niet alleen omdat je er in het vroege voorjaar soep of pesto van kunt maken. Rupsen van de kleine vos, het landkaartje en de atalanta zijn volledig afhankelijk van brandnetel, terwijl dagpauwoog en gehakkelde aurelia er ook wel een blaadje van lusten. Het was vorige zomer voor het eerst dat ik hen veelvuldig in de tuin zag. Ook de wespvlinder en de Spaanse Vlag kwamen regelmatig eens rusten terwijl de talrijke koolwitjes, groot en klein, zich niet door de strategisch geplaatste geurige planten lieten misleiden en uiteindelijk toch de weg naar mijn kolen vonden.

Om nog meer bijen en vlinders te lokken plantte ik in de herfst veertienhonderd bloembollen. Het werd een titanenwerk en ik moest toegeven dat dit lijf niet meer het lijf van een twintiger of dertiger is. De glimlach die de bloemenweelde bij mij, mijn familie, vrienden en voorbijgangers misschien oproepen zal, gaf mij de kracht om stug verder te planten en vol te houden. Nu blijft het natuurlijk afwachten of het beeld op mijn netvlies overeen zal komen met het beeld dat ik in mijn hoofd koesterde en dat mij tot actie dreef.

Verscholen en toch zichtbaar, zie je tenslotte het dromenkot. Het laatste juweeltje ontsproten aan de verbeelding van mijn hof-tovenaar. Twee klimhortensia’s sieren er de oude serremuur waartegen het kot net niet aanleunt. Varens, bloemen en een wand van houten blokken, zorgen voor een wat mysterieuze uitstraling. Het is een ideale plaats, om beschut tegen de zomerzon, van deze oase van groeiende biodiversiteit, te genieten. Uiteraard mocht ook hier (regen)water niet ontbreken en dus wordt het opgevangen in een ton. Nu moet ik niet langer tot aan het waterbassin stappen als er eens water in de boomgaard nodig is.

Het waterbassin zelf kwam er naar aanleiding van een bezoek van een medewerker van Aquafin. Zijn verhaal van de ontkoppeling van regenwater en grijs water bracht mij opnieuw bij de hof-tovenaar. Hij bedacht het ingenieus systeem om het regenwater ondergronds te vergaren en het dan afwisselend ondergronds en bovengronds als een stromend bergbeekje naar een waterbassin te leiden. Nu nog sta ik soms, blij als een kind in de gietende regen, om het geluid van het kabbelende beekje te horen, om te zien hoe het water langs monnikskap, ridderspoor, stokroos en lupinen stroomt om zich tenslotte in het bassin te storten. Dorstige dieren vinden steeds beter hun weg naar dit water en bij de komst van kikkervisjes plaatste ik keien langs de wand zodat de kikkervisjes, eens kikker geworden, het bassin gemakkelijk zouden kunnen verlaten. Enkelen onder hen zoeken dan mijn kelder op en kijken mij bij het binnenkomen met hun spitse kopje aan of hoppen snel onder de kast. Buitenzetten helpt niet echt, dat heb ik geprobeerd, ze wringen zich gewoon onder de deur weer naar binnen.

Rode en blauwe waterjuffers vinden in zomer en herfst ook hun weg naar het water. Het spel van de zon in hun tere vleugels doet hun kleuren schitteren en mij in verwondering stilstaan. De watervlooien doen mij dan weer aan het ‘Schrijverke’ van Guido Gezelle denken. Als de planten in en rondom de vijver in bloei staat en de kleine witte waterlelies hun bloemblaadjes openen, waan ik mij in mijn eigen kleine Giverny. Dan voel ik enkel dankbaarheid.

Kijkend naar mijn tuin weet ik wat eenheid in verscheidenheid zeggen wil. Het raakt mij om te zien hoe het leven in zijn vele vormen op dit lapje grond toeneemt en hoe geuren, geluiden zich met elkaar vermengen. Niet alles groeit in deze tuin en sommige planten hebben tijd nodig. Wetende dat de natuur zijn eigen ritme heeft heb ik geleerd om dat te respecteren en daarmee te werken in plaats van er tegenin te gaan.

Deze ochtend plantte ik in de nabijheid van Pieter’s as, de witte rhododendron die ik van één van zijn vrienden kreeg. Op mijn keukentafel ligt het boek van Dirk Van Duppen ‘Zo verliep de tijd die mij toegewezen was’. Ik kijk naar de tuin en weet dat dit witte huisje met zijn filosofentuin een goede plek is om met familie, vrienden en kennissen samen te zitten en te genieten van het ogenblik dat gegeven is.

[Een bijdrage van Mieke Maerten]