Het witte huisje en de filosofentuin: epiloog

Graag had ik jullie allen letterlijk meegenomen in de filosofentuin maar social distancing doorboorde spijtig genoeg deze plannen. Daarom bedacht ik deze virtuele reis in taferelen of tableaus.

Terwijl deze woorden geschreven worden is de tuin al aan zijn vierde tafereel toe. Het lijkt inderdaad reeds lang geleden dat ik glimlachend het eerste tableau met de uitbundig gekleurde voorjaarsbloemen stond te bewonderen. De verscheidenheid in hun kleuren en soorten doen elk jaar opnieuw mijn handen kriebelen om te zaaien, planten en wieden. Als de tulpen na verloop van tijd er met hun kale stamper wat triest bijstaan, de sneeuwroem verwelkt is en de muscari met zaaddoosjes is getooid, ontvouwt zich langzaam een tweede, meer ingetogen tafereel.

Wit- bloeiende struiken en fruitbomen staan als rustige bakens in het zachtblauwe tapijt van vergeet-mij-nietjes, tapijt dat later door de boshyacinten iets donkerder wordt gekleurd. Vooral bij valavond, als de witte bloesems zich net iets scherper tegen de langzaam donker wordende lucht aftekenen en lichtpuntjes lijken te worden, baadt de filosofentuin in een mysterieuze en serene sfeer. De mystieke uitstraling van het blauwe-witte tafereel brengt rust. Kijken wordt meditatie en roept verwondering gemengd met dankbaarheid op. Het dempt de impact van de Corona gelinkte beelden en commentaren waarmee elk nieuwsbericht ons om de oren en ogen slaat en dat langzaamaan ‘denken’ en ‘zijn’ bezet. Wat een weelde dat ik slechts mijn deur moet openen om in een oase van rust en schoonheid terecht te komen. Wat een voorrecht ook dat ik over de haag of vanuit de voortuin, met respect voor de anderhalve meter, met de buren of een voorbijkomende wandelaar een praatje maken kan.

De mystieke uitstraling van de filosofentuin is van korte duur. De neerdwarrelende bloesemblaadjes roepen weemoed op om de vluchtigheid van dit wel zeer bijzondere tableau. Maar dan zie ik hoe vanuit het verdwijnende blauwe tafereel, alliums op de voorgrond komen. Groen staan ze nu nog in de boomgaard verspreid, maar snel zullen ze paars of wit kleuren. Qua vorm doen sommigen aan het coronavirus denken, maar verder dan dit gaat de gelijkenis niet. Ondanks hun hoge stengels kan ik met tevredenheid vaststellen dat ze heel windbestendig zijn en zich niets schijnen aan te trekken van deze stenige Hoeilaartse bodem. Ze lossen hun belofte helemaal in want hun overvloed aan stuifmeel doet bijen en hommels de ganse dag gonzend af- en aanvliegen. Voor het eerst zie ik ook de guitige, zacht paars gekleurde belletjes van de Bulgaarse ui. Als de klokjes zich net uit hun vliesje hebben gewurmd hangen ze er wat moe bij. Dat duurt echter niet lang, want even later bengelen ze trots en sierlijk meebewegend met de wind, rond de top van de bloemstengel. De belletjes gommen mijn weemoed uit en ik zie hoe het waterbassin vol leven zit en het schrijverke constant het wateroppervlak beroert. Het lijkt of de overvloed aan bloemen bij de vlinders keuzestress veroorzaakt. Ze fladderen schijnbaar wat doelloos rond en hun mooie, fragiele vleugels doen mij nog meer dan anders stilstaan bij de vergankelijkheid van het leven. Het besef dat ik als 65+ in deze bizarre C-tijden plots tot mijn leeftijd herleid wordt en nog enkel vanuit een leeftijds- en risico perspectief bekeken wordt, zal hier wellicht niet vreemd aan zijn. ( Nota : In het charter gepubliceerd in een extra nieuwsbrief van de Ouderenraad op 22 juni 2020, wordt met de algemene leeftijdsgrens van 65+ komaf gemaakt) . Charter “Hoe veilig de draad opnemen als oudere in onze samenleving”.

Vingerhoedskruid, koningskaarsen en witte toortsen die boven de witte fragiele bloemen van de moerasspirea uittorenen brengen mij naar het centrale punt van het derde tafereel. De bomen en struiken beginnen vrucht te dragen. In de kleine serre moet de druivelaar ingetoomd worden en maken tafel en stoelen plaats voor de tomaten- en komkommerplanten. De fijne boontjes heb ik nu al drie keer met zorg in de grond gelegd. De worteltjes worden nog voor ze goed en wel boven de grond komen, opgegeten. Van een volledig pakje aardbeispinazie zaad is slechts één plantje opgekomen. Dat katten de pas bewerkte grond als grote kattenbak gebruiken, zal wellicht niet geholpen hebben. Hopelijk kan dat ene plantje mijn nieuwsgierigheid stillen. Tussen de aardappelen verschijnen zonnebloemen waarvan ik er enkele laat staan. Ook de snijbiet, sla, erwtjes, tuinbonen, prei en allerlei kruiden staan met goesting in de grond.Terwijl het zorgend personeel in ziekenhuizen en woonzorgcentra snakt naar wat rust, snakt de natuur naar water. De watertonnen staan leeg en in het waterbassin zakt het niveau van het water zienderogen. Moet mijn waterbeheer beter? Stof tot nadenken. Om te vermijden dat de bodem te fel uitdroogt is de mulchlaag dikker dan andere jaren. Het staat nu al vast dat de naaktslakken eens de regen komt, een feestje zullen bouwen. De rozen ‘zoemen’ en het plukken van frambozen wordt een dagelijkse bezigheid. Er is geen twijfel mogelijk, ook dit tafereel begint te vervagen.



De aalbestrosjes schitteren in de zon. De takken van sommige fruitbomen kreunen onder het gewicht van hun vruchten en met het rijpen van de frambozen, aalbessen en krieken is de oogsttijd definitief aangebroken. Met de oogst komt niet alleen de arbeid om de wintervoorraden veilig te stellen, maar ook is het de tijd van rabarber- en stekelbessentaarten, clafoutis, sorbets en sapjes waar vrienden en familie van genieten.

Nu de zomerzonnewende voorbij is besef ik dat de dagen korter worden. Een wat sombere gedachte die snel verdwijnt bij het vooruitzicht op het zien van het uitbundige gele tableau. Hierin zullen de vele zonnebloemen, rudbeckia’s en goudsbloemen een prominente plaats innemen en zullen pompoenen en courgetten blinken onder de zomerzon.

In een museum kan je jaar na jaar hetzelfde schilderij bekijken en vaststellen dat het tafereel dat door de schilder op het canvas vastgelegd werd, blijvend is. Dat is niet zo met de taferelen in de tuin. Zeker niet in deze filosofentuin. Volgend jaar komen de taferelen misschien terug, maar het wordt nooit hetzelfde. Buiten de groei van de bomen en struiken die verhoudingen binnen de tuin veranderen doet, zijn er andere oncontroleerbare variabelen die een invloed hebben op wat groeit en bloeit. Dat oncontroleerbare, niet meetbare, het (nog) niet weten is juist iets dat voor ons mensen soms moeilijk te aanvaarden is. Naast de weelde van het mooie, het voedende, geeft de filosofentuin les in ‘loslaten’, is het een blijvende bron voor verwondering en een continue aanzet tot leren.

Meer algemeen denk ik dat door de confinering onze tuinen een bijkomende rol kregen. Het werden veilige ruimten om op afstand elkaar toch te ontmoeten. Het was de plaats om onze frustraties weg te werken, om ons eigen min of meer vergankelijke ‘natuur-kunstwerk’ te maken. Met velen werkten we in de tuin, toverden kleine en grotere lapjes grond om tot juweeltjes, bouwden boomhuizen voor de kinderen en voelden de verbinding met de aarde en daarmee dus ook met het leven.

[Een bijdrage van Mieke Maerten
22 juni 2020]